De kleurenkaarten van verffabrikanten bevatten tientallen, soms zelfs meer dan honderd kleuren. Hoe moeten we daar nu uit kiezen?

Primaire kleuren
Om goede mengkleuren te krijgen hebben we uiteraard rood, geel en blauw nodig, en wel van elke kleur een koele en een warme versie. Dat wordt dan bv. citroengeel (koel) en cadmiumgeel of Indisch geel (warm) -  alizarinerood (koel) en cadmiumrood (warm) -  phtaloblauw of Pruisisch blauw (koel) en ultramarijn (warm).
Met deze zes kleuren komen we al een heel eind. Voor een zuiver, verzadigd groen mengen we citroengeel met phtaloblauw; cadmiumgeel en cadmiumrood geven een helder oranje en met alizarinerood of magenta en ultramarijn krijgen we een prachtig paars.
De andere combinaties leveren natuurlijk ook goed bruikbare secundaire kleuren op, alleen zijn die wat minder verzadigd (grijziger).

Paars mengen
Niet alle blauwen en roden geven een mooi paars. Als we cadmiumrood mengen met phtaloblauw krijgen we geen paars, maar een overigens best bruikbaar mat grijsbruin. Dat komt omdat phtaloblauw geen rood bevat en cadmiumrood geen blauw. Ze ‘stoten’ elkaar dus af, ze zijn bijna complementair. Alizarinerood en ultramarijn daarentegen bevatten elk iets van elkaars kleuren, resp. blauwachtig en roodachtig, en dus komen ze elkaar tegemoet en leveren een mooi paars op.

Waarom dan zoveel kleuren op de kleurenkaarten?
Het mengen van onze zes kleuren is heel leuk en leerzaam, maar in de schilderpraktijk is het soms veel gedoe. Vooral als je een specifieke tint vaak nodig hebt, zoals roodviolet voor bloemen of een terracottakleur voor bakstenen of andere moeilijke mengingen, is het handig om die kleur kant en klaar in een tube paraat te hebben. Ook bruinen en grijzen zijn er te kust en te keur als je niet telkens wilt of kunt mengen. De fabrikanten maken het ons wat dat betreft gemakkelijk.